Logo One Planet

Begin en einde van gesteente

Lavastroom
Lavastroom

Als gesteente een vaste vorm aanneemt, heet het stollingsgesteente. Dat kan ontstaan in de aarde, maar ook door vulkanisme op de aarde. De aarde verandert voortdurend van binnen en van buiten. Binnen in de aarde zorgen de hoge druk en temperatuur ervoor dat gesteenten steeds andere vormen krijgen.

Ook op het aardoppervlak blijft de vorm van gesteente veranderen. De hitte van de zon, de vorst, stromend water, bewegend ijs en de wind zorgen ervoor dat gesteenten afbreken en naar andere plekken worden vervoerd. Rots wordt kiezel; kiezel wordt zand en nog kleinere korrels noemen we klei. Als de brokken, schilfers en korrels tot stilstand zijn gekomen vormen ze lagen. Sedimentatie noemen we dat.

Op grote diepte gestold

Een stuk graniet is opgebouwd uit kristallen. Graniet (collectie) is diep in de aarde en onder grote druk ontstaan door langzame stolling. Dit stollingsgesteente bestaat uit een mengsel van mineralen. We kunnen er grijze, glasachtige kwartskristallen in aantreffen, evenals roze en grijswitte veldspaten. Dit zijn de meest voorkomende mineralen in de aardkorst. Daarnaast zitten in graniet ook vaak kleine, glimmende bladvormige mica’s, biotiet (collectie) of muscoviet (collectie).

Verse aardkorst midden in de oceaan

In het midden van de oceanen splijt de aarde open. De breuklijnen, waar de aardplaten van elkaar af bewegen, heet de Mid-Oceanische Rug. Hier stolt de uitgevloeide lava, dat uit de diepte opwelt, tot zware olivijnrijke gesteenten. Basalt (collectie) is zo’n gesteente. Op grotere diepte stolt magma tot gabbro (collectie). Omdat het magma binnen in de aardkorst veel langzamer afkoelt dan aan de oppervlakte, krijgen de kristallen in een gabbro de tijd om flinke afmetingen aan te nemen. De kristallen van mineralen als pyroxeen (collectie), plagioklaas (collectie), veldspaat (collectie) en soms olivijn (collectie) en amfibool (collectie) zijn in een gabbro met het blote oog te zien.

Van rots verweerd tot zand

Alle gesteenten verweren door het weer (temperatuur, regen en wind) en water tot kleinere stukken. De kleinste brokjes kennen we als zand, leem en klei; de grotere stukken als grind of blokken. Al deze materialen worden uiteindelijk door water, wind of ijs vervoerd en ergens anders neergelegd. Dat proces van neerleggen noemen we sedimentatie. Op talloze plaatsen zetten rivieren of de zee zand of klei af. Zo'n proces kan miljoenen jaren doorgaan, laag op laag op laag. Hier en daar eroderen lagen. Dan zijn er afgesneden lagen te zien. Wat verdwijnt wordt ergens anders neergelegd. Als zand in diepe aardlagen en onder hoge druk versteent, dan noemen we het resultaat natuurlijk zandsteen.

Zeebodem als begraafplaats

Koraaldiertjes bouwen koraalriffen langs de kusten van tropische zeeën. Deze riffen bestaan uit kalk. Stormen en vloedgolven slaan deze riffen kapot. In de zee dwarrelen ook voortdurend kleine kalkdeeltjes en skeletjes naar de bodem. Ook zeelelies, verwanten van de zeesterren, maar dan met een stengel en een soort ‘bloem’ van kalk aan de top en schelpfragmenten komen daar regelmatig terecht. Als de kalkmodder op de zeebodem versteent, ontstaan lagen kalksteen waarin veel brokstukjes koraal en fossieltjes zitten.

Extreme makeover

Onder invloed van hoge druk en temperatuur kunnen gesteenten totaal van aard veranderen. Mineralen passen zich aan of herschikken zich. Bestaande gesteenten kunnen een andere samenstelling krijgen en nieuwe mineralen kunnen gaan groeien. Als hun mineralogische samenstelling is veranderd, noemen we ze metamorfe gesteenten. Het woord metamorfose betekent verandering. Marmer (collectie) bestaat bijna volledig uit gekristalliseerde calciet. De oorspronkelijke kalksteen of dolomiet (collectie) is door grote druk en temperatuur veranderd. Fossielen zijn door dit proces van metamorfose onherkenbaar geworden.

Flink onder druk gezet

Gneis (collectie) is ontstaan door een metamorfose van graniet of sedimentaire gesteenten. Er zijn gneissoorten waarin duidelijk te zien is dat de oorspronkelijke gesteenten flink zijn gekneed tijdens de vorming. Deze gesteenten vertonen lijnen en slierten en soms heel lang uitgerekte kristallen. Een mooi voorbeeld is de ogengneis (collectie). De witte ogen die erin zitten, zijn veldspaatkristallen die in diepe aardlagen in het gesteente zijn gedraaid en uit elkaar getrokken.