Logo One Planet

De diepzee

Diepzeekoraal
Diepzeekoraal

De diepzee is de omvangrijkste leefomgeving op aarde. Van het totale aardoppervlak is zeventig procent bedekt door zee en daarvan is negentig procent diepzee. We weten heel weinig over de oceanen, omdat ze gewoon veel te groot zijn om te verkennen. We weten meer van het universum dan van onze eigen oceanen.

De gemiddelde diepte van de oceanen op aarde is ongeveer 3.960 meter. Dat is ongeveer dertien Eiffeltorens bovenop elkaar. Het diepste punt, de Marianentrog bij de Filippijnen, ligt op meer dan elf kilometer. De hoogste berg, de Mount Everest, zou vanaf dit punt op de bodem meer dan twee kilometer water boven zich hebben. 

De omstandigheden in de diepzee zijn zeer extreem. Per tien meter diepte neemt de druk met één atmosfeer toe. De intensiteit van het licht dat vanaf de oppervlakte in de diepte doordringt, neemt snel af. Op 800 meter is er alleen nog een vaag blauwig schijnsel over. Nog verder naar beneden, op duizend meter diepte, is het pikdonker en bestaat er geen verschil tussen dag en nacht. De temperatuur van het water is doorgaans niet hoger dan twee graden Celsius. Zuurstof, opgelost in het water, is er maar mondjesmaat beschikbaar. En voedsel is er extreem schaars.

Op de bodem van de diepzee

Tot ongeveer 1.000 m diepte is er veel leven in zee: bijvoorbeeld kreeften, sponzen, koralen en koraalriffen. Langs de hellingen daar de diepzee treffen we haaien en roofvissen aan, maar op de bodem van de oceaan lijkt alles zo doods als een woestijn. Toch is ook hier leven, tot zelfs in de bodem. In de diepte treffen we bijvoorbeeld zeekomkommers aan, een soort roofdieren. Ook zijn er zee-egels en diepzeewormen. Maar de bodem van de diepzee is toch vooral nog onbekend terrein voor de mens, terra incognita. Steeds weer worden er nieuwe, onbekende soorten ontdekt.

Vissen in de diepzee

Het diepterecord van vissen staat op naam van een zeventien centimeter lange aalachtige vis. Hij leeft op negenduizend meter onder zeeniveau. Het is verbluffend dat de vissen van de diepzee kunnen overleven in zo'n extreme leefomgeving. Ze moeten zien te overleven in een voedselarm milieu zonder groene planten leven die zonne-energie vastleggen. Ze moeten vertrouwen op wat er toevallig aan voedsel naar de bodem zinkt. Daarnaast leven er in de diepzee ook roofvissen die op de aaseters jagen. Die moeten wachten tot er een langskomt. Het grootste probleem voor individuele diepzeevissen is dat hun omgeving pikdonker is. Zij moeten hun prooi of partner in het duister kunnen vinden. Veel diepzeevissen hebben heel grote ogen, om het laatste sprankje licht op te vangen.

Vissen zonder kleur

Veel diepzeevissen zijn zo zwart als de nacht. Dat heeft wellicht een functie bij roofvissen, die zo verhinderen dat een prooi die licht geeft dwars door de maagwand heen blijft schijnen en mogelijk andere roofvissen aanlokt. Dat zou de vis zelf in gevaar brengen. De zwarte buitenkant van de vis schermt de lichtgevende maaginhoud effectief af. Er bestaan ook soorten waarvan alleen de maag zwart is en de rest van het lichaam niet.

Wachten op voedsel

In open diepzeewater lokken vissen hun prooi vaak met licht. Op de bodem zie je juist meer afwachtende strategieën. Die vissen lokken hun prooi niet, maar ze vertrouwen erop dat de stroming hun voedsel aanvoert. De vissen hebben lange buikvinnen vlakbij de kop die ze gebruiken om op te staan. Zo houden ze hun kop omhoog en kunnen ze de omgeving in de gaten houden. De groep van de driepootvissen bijvoorbeeld bezit lange borstvinnen die bijna aan de kop vastzitten. Op deze manier kunnen zij hun kop vlakbij de bodem houden maar wel in een stabiele positie in de stroming om te ruiken of er een prooi in de buurt is.

Lichtgevende vissen

Er zijn diepzeevissen die zelf licht produceren. Lichtorganen in diepzeevissen kom je in veel verschillende gedaanten tegen. Sommige vissen produceren licht met behulp van bepaalde enzymen of ze hebben bepaalde bacteriën die licht uitzenden. Sommige vissoorten gebruiken hun lichtorganen als een soort mijnwerkerslamp. Een soort diepzeeroofaal heeft lichtorganen onder zijn ogen die rood licht produceren. Het omgevingslicht dat op die diepte nog doordringt is blauw en groen van kleur. De meeste vissen hebben zich daaraan aangepast en dus het vermogen om rood licht te zien verloren. De roofvis zelf kan het nog wel waarnemen. Hij kan het rode licht ongehinderd gebruiken om zijn prooi op te sporen. Het is een bizarre wapenwedloop.

  • In lange sleepnetten zijn vreemde en bizarre vissen uit de diepzee naar boven gebracht. Bijvoorbeeld de diepzeehengelvis. Hier bestaan tientallen soorten van. Allemaal hebben ze op de kop een hengeltje, een lichtorgaantje op een steel, om prooi te lokken. Alleen het vrouwtje, zo'n 20 cm groot, vangt de prooi. De mannetjes zijn met hun 3 cm veel kleiner en leven parasitair; ze zuigen zich op het achterlijf van het vrouwtje vast. Ze zijn aangesloten op haar bloedstroom en halen daar hun voedsel vandaan. Het enige wat ze doen is sperma produceren. In de diepzee is de afstand tussen individuele vissen van een soort groot. Dit is dan een manier om een paartje bijeen te houden en de voortplanting te garanderen. Foto: Ryan Somma / CC
  • Een hele vreemde vis uit de diepzee is de pelikaanaal. Deze aal bestaat bijna alleen maar uit een reusachtige bek waarmee hij in staat is prooien in te slikken die groter zijn dan hij zelf. Grootbekvissen zijn vissen die er angstaanjagend uitzien met hun centimeterlange tanden die uit hun fors bemeten bek steken. Pelikaanalen en grootbekvissen zijn typische roofvissen van de diepzee. Ze moeten in staat zijn om zeer grote maaltijden in één keer te verorberen. Het voedsel is schaars. Dus als het er is, moeten ze geen kans voorbij laten gaan. Diepzeevissen zijn daarom uitgerust met lange tanden, grote bekken en grote, rekbare magen. Tekening: Charles Frederick Holder (1851-1915)
Black smokers

Daar waar de platen die de oceaanbodem vormen naar twee kanten uiteenwijken, vinden we warmwaterbronnen. Deze spuiten constant heet water dat verwarmd is door het magma uit het binnenste van de aarde. Het hete water van meer dan 300 graden zit vol opgeloste mineralen. Als het door spleten in de bodem naar buiten spuit, komt het in aanraking met het ijskoude zeewater. Het gevolg is, dat de mineralen neerslaan. Zo ontstaan de zwarte schoorstenen, of Black Smokers.

In de omgeving van de schoorstenen is de temperatuur constant zo´n twintig graden. En dat maakt, samen met de rijkdom aan mineralen, dat er veel leven is: witte krabben, schelpen en talloze slakjes zonder mond, darm of maag. Kenmerkend zijn de witte kokers van soms reusachtige baardwormen die met hun felrode mond het water filteren. Deze bizarre levensgemeenschap op een diepte van meer dan twee kilometer is pas in 1977 ontdekt.

Heet of koud water?

Hoe kan iets overleven in gloeiend heet water? Het water dat uit de black smokers komt, is heel heet, meer dan 400°C, maar het koelt snel af als het zich vermengt met het koude zeewater rondom de schoorsteen. Op een paar centimeter afstand van een black smoker kan het water een aangename 20°C zijn, maar een paar centimeter verder kan het al afgekoeld zijn tot 2°C. Dieren gedijen uitstekend in het warme water rond de heetwaterbronnen.

Kokerwormen

In het diorama van de black smoker bovenaan dit beeldscherm zie je kokerwormen. Een kokerworm heeft geen mond en maag. Hoe overleeft hij dan? De worm absorbeert zuurstof, kooldioxide en waterstofsulfide uit het water om de bacteriën die binnenin hem leven van voedsel te voorzien. De bacteriën maken energierijke chemische verbindingen om zichzelf in stand te houden en hun gastheer, de kokerworm. Deze samenwerking om te overleven noemen we symbiose. Lengte: tot 1,8 meter

Black smoker met kokerwormen