Logo One Planet

Klimaatverandering: gevolgen voor dieren en planten

Het klimaat op de aarde is een subtiel samenspel van land, vegetatie, sneeuw en gletsjers, zeeën en oceanen en de atmosfeer. Zonder wind en oceaanstromingen, die een belangrijke rol bij de verdeling van de warmte over de aarde spelen, zou het temperatuurverschil tussen de tropen en de polen nog groter zijn.

Planten nemen kooldioxide (CO2) op, de oceaan neemt warmte op, ijskappen en woestijnen weerkaatsen zonnestraling sterker dan bos of toendra en smeltend ijs maakt de oceaan minder zout. Deze processen kunnen elkaar versterken of juist verzwakken. Een opwarming van de oceaan heeft een grotere verdamping tot gevolg en versterkt zo het broeikaseffect en dus de opwarming van de oceaan. Maar de extra verdamping die optreedt als de oceaan warmer wordt, onttrekt ook warmte aan de oceaan en heeft daardoor een koelende werking op het zeewater. Zo zijn er tal van effecten die elkaar beïnvloeden. Daardoor is het uiterst moeilijk om te doorzien hoe verstoringen in het klimaatsysteem doorwerken.

Deze complexe wisselwerking van verschillende factoren heeft in de loop der millennia geregeld voor klimaatverandering gezorgd. In de afgelopen eeuw is de mens er als factor van belang bij gekomen. Door industrie, ontbossing en verkeer brengt hij extra broeikasgassen in de atmosfeer, wat naar alle waarschijnlijkheid een warmer klimaat en meer neerslag tot gevolg zal hebben. Door klimaatveranderingen veranderen levensomstandigheden en natuurlijke habitats. Veranderingen in habitats hebben tot gevolg dat soorten zich verplaatsen of aanpassen. Maar als dat niet meer mogelijk is, sterven ze uit.

Vlinders

De afgelopen decennia is de gemiddelde temperatuur wereldwijd met 0,6ºC gestegen. Klimaatmodellen voorspellen een verdere temperatuurstijging van enkele graden. Wetenschappers proberen nu de effecten van klimaatverandering op de biodiversiteit in kaart te brengen. Hun onderzoek richt zich onder andere op vlinders, die sterk op de veranderingen blijken te reageren.

Sinds 1975 is het verspreidingsgebied van de helft van de ruim honderd soorten microvlinders - kleine, voornamelijk nachtvlinders-  in Nederland significant gewijzigd. In de meeste gevallen breidde het zich naar het noorden uit

Op Europees niveau valt dezelfde tendens te bespeuren. Het verspreidingsgebied van meer dan zestig procent van 35 onderzochte vlindersoorten blijkt in de laatste decennia naar het noorden te zijn opgeschoven, variërend van 35 tot 240 kilometer. Zo kwam de gehakkelde aurelia in Nederland tot 1980 alleen in Noord-Brabant en Limburg voor, maar wordt hij nu in heel Nederland waargenomen. Van de koninginnepage waren alleen enkele populaties in Zuid-Limburg bekend, maar deze soort is nu opgerukt naar Midden-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen.

  • Koninginnepage. Foto: fra298 / CC
  • Gehakkelde aurelia. Foto: Foto: Paul van de Velde / CC
Bonte vliegenvanger

De bonte vliegenvanger (collectie) is een trekvogel. Ze overwinteren in tropisch Afrika, komen in het voorjaar naar Nederland en bouwt  hier nesten en brengen hun jongen groot.
Door het warmere klimaat in Nederland is het hier eerder voorjaar. De bladeren komen eerder aan de bomen, de insecten kruipen vroeger uit hun ei en de rupsen verpoppen eerder.
Maar de bonte vliegenvangers komen nog altijd op hetzelfde tijdstip terug van hun overwintering  uit het zuiden. Zij weten tenslotte niet wanneer hier in Nederland de lente begint!  De lengte van de dag bepaalt wanneer zij gaan trekken, en dat is elk jaar op hetzelfde tijdstip. Daarop heeft het opwarmen van de aarde geen invloed.

Als de vogels hier aankomen, schatten ze in wanneer de insectenpiek zal komen. Die is nu eerder dan vroeger. Ze moeten zich daarom enorm haasten bij het zoeken naar een partner, bij het bouwen van hun nest en het leggen van eieren, want  het is belangrijk dat de eieren gelijk uitkomen met de insectenpiek. Alleen dan is er voldoende te eten voor de jonge bonte vliegenvangertjes.
Hoewel de bonte vliegenvangers niet eerder terugkomen uit Afrika zijn ze de laatste jaren wel eerder begonnen met het bouwen van nesten en het leggen van eieren, vergeleken met 1980 zo’n tien dagen eerder. Tragisch genoeg zijn ze voor het voeden van de jongen meestal toch te laat. De meeste insecten die ze eten zijn dan alweer verdwenen……
Er zijn minder nesten en er vliegen minder vogeltjes uit. Wat voor gevolgen dit voor de Nederlandse populatie van bonte vliegenvanger zal hebben is nog niet duidelijk: zullen ze zich aanpassen of zullen ze verdwijnen?

  • Bonte vliegenvanger. Collectie Museon-Omniversum
  • Bonte vliegenvanger. Collectie Museon-Omniversum
Vegetatieverschuiving

Het klimaat is bepalend voor de verspreiding van planten. Hun groei en ontwikkeling zijn afhankelijk van klimaatvariabelen als temperatuur en neerslag.  Een beuk (collectie) bijvoorbeeld komt niet meer voor als de gemiddelde temperatuur van de koudste maand lager is dan -3ºC. Als je de gemiddelde temperaturen per etmaal vanaf 1 januari allemaal bij elkaar optelt en je komt dan in totaal op 200ºC, dan weet je dat het klein hoefblad begint te bloeien.

Verandert het klimaat, dan verandert vanzelfsprekend de vegetatie. In een relatief warme periode in de middeleeuwen groeide de wijndruif op grote schaal in Nederland en Schotland; IJsland en een deel van Groenland waren toen geschikt voor tarwebouw.

Ook nu, als gevolg van de recente temperatuurstijging, zijn de eerste tekenen van vegetatieverschuiving al zichtbaar. In de Alpen schuift de boomgrens langzaam omhoog. Op Antartica hebben de enige twee van nature voorkomende vaatplanten zich op een aantal plaatsen drastisch vermeerderd.

Met satellietwaarnemingen is vastgesteld dat de vegetatie in de Noordelijke gebieden sinds 1980 gemiddeld acht dagen eerder tot ontwikkeling komt. Een Europese studie naar de lengte van het groeiseizoen in Europa heeft aangetoond dat het groeiseizoen in de afgelopen dertig jaar gemiddeld 10,8 dagen langer is geworden. In gebieden met toenemende droogtes neemt de lengte van het groeiseizoen juist af.

Model van de mannelijke bloem van de beuk
Model van de mannelijke bloem van de beuk. Maker: Robert Brendel | Fotograaf: Collectie Museon-Omniversum