Logo One Planet

Mangrove

Mangrovebos
Mangrovebos

Een bos op stelten? Bomen die in zee groeien? Zinderende hitte, stinkende modder, een wirwar van wortels, vreemdsoortige planten en dieren die moeten overleven in zoet en zout water, bij eb en vloed. Een groene schakel tussen land en zee, een toevluchtsoord voor mens en dier. En ieder jaar trekken duizenden vogels vanaf onze Wadden naar de verre mangroven.

Mangrovebossen maken deel uit van de zogenoemde "wetlands". Ze behoren samen met de tropische bossen en de koraalriffen tot de productiefste ecosystemen op aarde. Wereldwijd zijn echter al veel mangrovebossen verdwenen of worden ernstig bedreigd. 

Mangrovebossen komen voor bij ondiepe, modderige kusten in tropische en subtropische gebieden. Ze vormen een belangrijke overgang tussen land en zee. Vissen gaan naar de mangroven om kuit te schieten, stormvloeden verliezen er hun kracht, broedvogels uit het hoge noorden overwinteren er. Vooral bij eb is een mangrovebos geheimzinnig, met die wirwar van wortels, bizarre dieren, zuigende geluiden en zoemende insecten. De hete, vochtige atmosfeer, de lucht van rottende, zoutige modder, de leerachtige bladeren, de omhoog priemende ademwortels; alles bij elkaar zorgt voor een spannende, vreemde sfeer.

Bomen met luchtwortels

Een opvallend kenmerk van mangrovebomen zijn de luchtwortels. Sommige mangrovebomen (Sonneratia) laten vanuit hun ondergrondse delen recht omhoog groeiende luchtwortels groeien (penwortels). Andere soorten (Bruguiera) laten hun ondergrondse delen knievormige uitgroeiingen boven de bodem maken. Dit levert de karakteristieke mangrovebomen met hun bovengrondse wortels. Mangroven groeien het beste op zoute slikgronden.

Zoet en zout

Nat en droog en dan weer nat in zout en zoet water. Leven met grote dagelijkse verschillen in hoog en laagwater valt niet mee. Om voort te kunnen bestaan hebben de dieren en planten van de mangrove zich aan moeten passen aan de wisselende omstandigheden. Zeedieren krijgen bij eb te maken met uitdrogingsverschijnselen en dieren en planten die van oorsprong op het land thuishoren, worden elke twaalf uur bloot gesteld aan zout zeewater. De steeds wisselende extreme omstandigheden hebben ervoor gezorgd, dat dier en plant sterke specialisaties vertonen. Er komen vrijwel geen kikkersoorten voor in de mangroven, omdat hun huid geen bescherming biedt tegen het zoute water.

  • Bekende bewoners van mangroven zijn kalongs (Pteropus spec.), grote vleermuisachtige dieren met een hondachtige kop. Ze verschillen nogal van gewone vleermuizen die kleine ogen hebben en hun weg vinden door echolocatie. Kalongs gebruiken vooral hun neus bij het zoeken naar voedsel, vruchten of honing.
  • Slijkspringers zijn vissen die net als een kikker onder en boven water kunnen leven. Buiten het water halen ze adem via hun huid en mondholte. Onder water ademen ze door hun kieuwen. Slijkspringers 'springen' en 'lopen' over bij eb droogvallende modder en zandplaten. Ze eten kleine krabben, garnaaltjes en insecten.
  • Schuttersvissen leven tussen de wortels van mangrovebommen in brak water langs riviermondingen. Met een gerichte waterstraal schieten ze insecten uit de lucht of van een blad.
  • De voorouders van degenkrab (Limulus polyphemus) leefden al aan het eind van het Precambrium, 600 miljoen jaar geleden. In mangrovengebieden komt het dier nog steeds voor. Het worden daarom levende genoemd. Ze zijn verwant zijn aan schorpioenen en spinnen, niet aan krabben en kreeften. Er zijn nog twee andere soorten: een leeft in Zuid-Oost Azië en een andere in Maleisië, Thailand en de Philippijnen.
Mangroven en biodiversiteit

Mangroven zijn belangrijk voor de biodiversiteit. Het zijn kraamkamers voor vele soorten zeevissen. Ook andere diersoorten zoeken bescherming tussen de mangrovewortels. Sommige diersoorten komen zelfs alleen maar in mangroven voor, zoals bepaalde soorten vissen en krabben.

Bekende vissen van het mangrovebos zijn slijkspringers (collectie). Deze vissen hebben pootachtige borstvinnen waarmee ze op de wortels boven water kunnen klimmen om insecten te vangen.

Wintergasten

Voor broedvogels uit het hoge noorden zijn mangrovegebieden belangrijke overwinteringplaatsen. Miljoenen steltlopers hoppen van hun broedgebieden in de toendra via de waddengebieden in Europa en Azië naar de slibkusten in Afrika, Azië en zelfs Australië en soms Nieuw-Zeeland. Daarbij leggen ze in één keer of in een paar etappes vele duizenden kilometers af.

Rosse grutto's in de vlucht
Wereldrecord De rosse grutto (collectie) heeft de noordse stern verslagen! In één non-stop vlucht van negen dagen overbrugt de grutto een afstand van 11.000 kilometer van Alaska naar Nieuw-Zeeland en de oostkust van Australië. Daarmee laten ze de kanoetstrandloper (collectie) en de noordse stern (collectie) met respectievelijk 5400 en 18.000 km, maar met stops onderweg, ver achter zich. Ze doen dat door behalve hun vet ook delen van hun darmen te verbranden. Verder maken ze gebruik van sterke staartwinden. In een Maorilegende wordt verteld dat hun Polynesische voorouders Nieuw-Zeeland bereikten door de rosse grutto´s op hun trektocht te volgen. | Fotograaf: Foto: National England / CC